Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX7454

Datum uitspraak2006-10-17
Datum gepubliceerd2006-10-17
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02086/05 A
Statusgepubliceerd


Indicatie

Antilliaanse zaak; profijtontneming. Soortgelijke feiten. Redelijke uitleg van art. 38e.2 SrA brengt mee dat onder “soortgelijke feiten” dienen te worden verstaan feiten die, gelet op het belang dat de wetgever door de strafbaarstelling ervan heeft willen beschermen, tot dezelfde categorie behoren als waartoe het strafbare feit behoort waarvoor betrokkene is veroordeeld. Gelet op het in de hoofdzaak bewezenverklaarde feit, te weten invoer en/of uitvoer van heroïne en/of cocaïne, en in aanmerking genomen dat de opgelegde betalingsverplichting is gebaseerd op voordeel dat is verkregen uit “het witwassen van gelden uit de handel in verdovende middelen”, is ’s hofs oordeel onjuist. Immers kan witwassen niet worden aangemerkt als soortgelijk (ex art. 38e.2 SrA) aan het bewezenverklaarde misdrijf van invoer en/of uitvoer van verdovende middelen. In het geding na verwijzing kan alsnog aan de orde komen de vraag of sprake is van "feiten, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan" ex art. 38e.2 SrA.


Conclusie anoniem

Griffienr. 02086/05 A Mr. Wortel Zitting:6 juni 2006 Conclusie inzake: [verzoeker = betrokkene] 1. Dit cassatieberoep betreft een uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba (hierna: het Hof) waarbij verzoeker, als maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting is opgelegd het Land Aruba Afl 134.633 te betalen, met bepaling dat bij gebreke van betaling of verhaal hechtenis zal worden toegepast voor de duur van vijf maanden. 2. Namens verzoeker hebben mrs. J.M. Sjöcrona en D.V.A. Brouwer, advocaten te 's-Gravenhage, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend. 3. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geweigerd om nog door de verdediging bijgebrachte stukken aan het dossier toe te voegen. 4. Dienaangaande is in het proces-verbaal van de op 20 september 2004 gehouden terechtzitting in hoger beroep te vinden: "de raadsman De raadsman voert het woord tot verdediging (...). In aanvulling op zijn pleitnota merkt de raadsman -zakelijk weergegeven-, op: Ik leg u drie ordners met originele douanedocumenten over en verzoek uw Hof om deze aan het dossier toe te voegen. Deze zijn indertijd niet in beslag genomen. Hiermee kan worden aangetoond dat de financiële rapportage niet klopt. de procureur-generaal De procureur-generaal, door de voorzitter in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek van de raadsman, merkt op: Ik heb bezwaar tegen toevoeging van deze stukken aan het dossier gezien het tijdsbestek van het verloop van deze zaak. Er heeft reeds een schriftelijke voorbereiding plaatsgevonden. De stukken hadden in dat kader kunnen worden overgelegd. de voorzitter De voorzitter constateert dat de stukken niet voorzien zijn van een index en zich daarbij evenmin een toelichting bevindt. de raadsman De raadsman wijst nog op het feit dat het hier om invoerdocumenten gaat, die per jaar zijn gespecificeerd en dat het financiële gegevens betreft die niet zijn meegenomen bij de berekening van de legale inkomsten. de procureur-generaal De procureur-generaal persisteert bij haar bezwaar tegen de toevoeging van deze stukken aan het dossier. beraad Het Hof trekt zich terug voor beraad in deze. hervatting De voorzitter hervat het onderzoek ter terechtzitting en deelt vervolgens de beslissing van het Hof mede: Het verzoek tot toevoeging van stukken aan het dossier wordt afgewezen. In deze zaak heeft, met instemming van veroordeelde en het openbaar ministerie, schriftelijke voorbereiding als bedoeld in artikel 503c Wetboek van Strafvordering plaats gevonden. Een dergelijke voorbereiding strekt, voor zover hier van belang, ertoe al die feitelijke informatie aan de rechter te verstrekken, die voor de beoordeling van de vordering van belang kan zijn. Zij strekt, onder andere, mede ertoe de wederpartij in de gelegenheid te stellen die informatie tijdig voor de zitting te beoordelen teneinde daarover ter zitting een standpunt te kunnen innemen. Gesteld noch gebleken is dat veroordeelde de stukken in kwestie niet eerder (bij antwoord of dupliek) heeft kunnen overleggen. De aangeboden stukken zijn bovendien van een zodanige omvang (drie ordners) dat redelijkerwijs niet van het Openbaar Ministerie gevergd kan worden deze tijdens een korte schorsing van het onderzoek ter terechtzitting te bestuderen. Aan dat oordeel draagt mede bij dat de stukken niet zijn voorzien van enige index en/of toelichting en om die reden moeilijk toegankelijk zijn. Onder deze omstandigheden is het thans toevoegen aan het dossier van de stukken in kwestie in strijd met een goede procesorde." 5. In de toelichting op het middel wordt er op gewezen dat ingevolge art. 503f WvSv Aruba de voorschriften, gegeven in het vijfde Boek, Titels III en IV (met hier niet ter zake doende zijnde uitzonderingen) van overeenkomstige toepassing zijn op de appèlbehandeling van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, en dat tot die van overeenkomstige toepassing verklaarde voorschriften art. 301, eerste lid, WvSv Aruba behoort, waarin onder meer is bepaald dat de procureur-generaal en de verdachte bevoegd zijn nieuwe bescheiden en stukken van overtuiging over te leggen. 6. Het Hof wordt verweten dat het een onjuiste rechtsopvatting heeft gevolgd, daar het de verdediging heeft belet een wettelijk toegekende bevoegdheid te benutten. In dat verband wordt gewezen op HR NJ 1996, 275. 7. Ook de uitoefening van wettelijk toegekende bevoegdheden is onderworpen aan beginselen van een behoorlijke procesorde. Van geval tot geval zal moeten worden bezien of de overlegging van nieuwe stukken, teneinde die bij het dossier te doen voegen en aldus in de beoordeling van de zaak te betrekken, met zulke beginselen in strijd komt, waarbij belang toekomt aan de (belastende of juist bevrijdende) aard van die stukken, de al dan niet complexe aard van de procedure en het stadium van de procedure waarin zulke stukken worden geproduceerd. Dit geldt voor de behandeling van strafzaken, vgl. HR NJ 2000, 214 en HR 16 november 2004, LJN AR3202. Het moet naar mijn inzicht a fortiori gelden ten aanzien van de behandeling van ontnemingsvorderingen, indien partijen daarbij in staat zijn gesteld om voorafgaande aan de mondelinge behandeling hun standpunten schriftelijk kenbaar te maken. Zo een uitwisseling van op schrift gestelde standpunten is immers bij uitstek een gelegenheid om nog producties bij te voegen, en de wederpartij in staat te stellen daar nog op te reageren. 8. Daarom kan ik in de hier bestreden beslissing bepaald geen onjuiste rechtsopvatting ontwaren, terwijl ik die beslissing ook niet onbegrijpelijk acht. Het middel faalt. 9. In het tweede middel wordt er over geklaagd dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het "witwassen van gelden uit de handel in verdovende middelen" in de zin van art. 38e, tweede lid, WvSv Aruba (een) soortgelijk(e) feit(en) oplevert als het medeplegen van invoeren dan wel uitvoeren van verdovende middelen. 10. In de toelichting op het middel wordt vermeld dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met "soortgelijke feiten" het oog heeft gehad op "feiten die tot dezelfde delictscategorie behoren als de feiten waarop de rechterlijke uitspraak betrekking heeft", respectievelijk gedragingen waarvan de strafbaarstelling strekt tot bescherming van "hetzelfde achterliggende rechtsbelang", of anders gezegd gedragingen waarvan kan worden aangenomen dat zij "hetzelfde concreet te beschermen rechtsbelang hebben aangetast". 11. Het is zonneklaar dat de verbodsnormen in de wetgeving betreffende verdovende middelen strekken tot bescherming van de gezondheid van personen. Men kan die verbodsnormen in samenhang met de daaraan verbonden strafbaarstellingen evenwel ook een ruimere strekking toekennen - en het lijkt mij, met het oog op een doeltreffende handhaving, ook geboden dit te doen - in die zin dat deze wettelijke voorschriften dienen ter bestrijding van het uit winstbejag verhandelen of ter beschikking van gebruikers stellen van verdovende middelen. In dit opzicht hebben deze tegen de in- en uitvoer, de handel et cetera van verdovende middelen gerichte strafbaarstellingen een kenmerk gemeenschappelijk met de strafbaarstelling van "witwassen", te weten tegengaan van het bezit van voorwerpen - inclusief opbrengsten - waardoor het begaan van misdrijven mogelijk en winstgevend wordt. 12. Zo beschouwd is er geen bezwaar tegen te maken dat het Hof "witwassen" in de vorm van (blijkens de gebezigde bewijsmiddelen) de verwerving, het voorhanden hebben en/of overdragen van geldbedragen afkomstig van de verkoop van verdovende middelen in het buitenland heeft aangemerkt als soortgelijk, in de zin van art. 38e, tweede lid, WvSv Aruba, aan het medeplegen van uitvoeren dan wel invoeren van die drugs. Het middel behoeft derhalve niet tot cassatie te leiden. 13. Het derde middel behelst de klacht dat de redelijke termijn voor berechting bij de behandeling van dit cassatieberoep wordt overschreden doordat de stukken van het geding te laat bij de Hoge Raad zijn binnengekomen. Aangezien het beroep is ingesteld op 5 oktober 2004, en de stukken van het geding eerst op 2 augustus 2005 bij de Hoge Raad zijn binnengekomen, is de klacht terecht opgeworpen. De opgelegde maatregel zal daarom gematigd dienen te worden. 14. In ieder geval het eerste middel leent zich voor toepassing van art. 81 RO. 15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, en matiging van die betalingsverplichting in verband met het overschrijden van de redelijke termijn voor behandeling van dit cassatieberoep, met verwerping van het beroep voor het overige. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,


Uitspraak

17 oktober 2006 Strafkamer nr. 02086/05 A SG/AM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 5 oktober 2004, nummer HAR 41/2004, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van: [betrokkene], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, wonende in [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba van 24 januari 2002 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan het Land Aruba ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van Afl. 104.706,40, subsidiair vijf maanden hechtenis. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben mr. J.M. Sjöcrona en mr. D.V.A. Brouwer, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering van het desbetreffende bedrag en tot verwerping van het beroep voor het overige. 3. Beoordeling van het tweede middel 3.1. Het middel klaagt erover dat het Gemeenschappelijk Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het "witwassen van gelden uit de handel in verdovende middelen" een soortgelijk feit is in de zin van art. 38e, tweede lid, Wetboek van Strafrecht van Aruba (SrA), als (het medeplegen van) invoer en/of uitvoer van verdovende middelen. 3.2. De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: "4.2 Bewezenverklaarde feiten Betrokkene is bij vonnis van dit Hof van 17 december 2002 onherroepelijk veroordeeld terzake van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Landsverordening Verdovende middelen (feit 1). De in het Hofvonnis opgenomen kwalificatie gelezen in samenhang met de tenlastelegging maakt duidelijk dat betrokkene in ieder geval is veroordeeld voor (medeplegen van) invoer en/of uitvoer van verdovende middelen (heroïne en/of cocaïne). Waar het GEA nog "meermalen gepleegd" bewezen had geoordeeld is daarvan in het Hofvonnis, blijkens de kwalificatie, geen sprake, maar zulks is voor de verdere beoordeling niet van belang nu het Hof niet aannemelijk oordeelt dat betrokkene uit dat bewezenverklaarde feit wederrechtelijk voordeel heeft genoten. 4.3. Soortgelijke feiten Wel aannemelijk acht het Hof dat betrokkene voordeel heeft genoten uit soortgelijke feiten. Daarbij heeft het Hof het oog op witwassen van gelden uit de handel in verdovende middelen. Deze aannemelijkheid wordt afgeleid uit eerder genoemd financieel rapport en de verklaringen van medeverdachten c.q. getuigen met betrekking tot geldtransporten." 3.3. Art. 38e, tweede lid, SrA luidt: "De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde strafbare feit of soortgelijke feiten of feiten, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan." 3.4. Redelijke uitleg van art. 38e, tweede lid, SrA brengt mee dat onder "soortgelijke feiten" in de zin van die bepaling dienen te worden verstaan feiten die, gelet op het belang dat de wetgever door de strafbaarstelling ervan heeft willen beschermen, tot dezelfde categorie behoren als waartoe het strafbare feit behoort waarvoor de betrokkene is veroordeeld. 3.5. Gelet op het volgens het Hof in de hoofdzaak bewezenverklaarde feit, te weten (het medeplegen van) invoer en/of uitvoer van heroïne en/of cocaïne, en in aanmerking genomen dat het Hof de opgelegde betalingsverplichting heeft gebaseerd op voordeel dat is verkregen uit "het witwassen van gelden uit de handel in verdovende middelen", geeft 's Hofs hiervoor onder 3.2 sub 4.3 weergegeven oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Immers, uit het hiervoor onder 3.4 overwogene volgt dat witwassen niet kan worden aangemerkt als soortgelijk (in de zin van art. 38e, tweede lid, SrA) aan het bewezenverklaarde misdrijf van (het medeplegen van) invoer en/of uitvoer van verdovende middelen. 3.6. Het middel is gegrond. 4. Beoordeling van het derde middel 4.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden. 4.2. De betrokkene heeft op 5 oktober 2004 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 2 augustus 2005 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. De rechter naar wie de zaak wordt verwezen, zal in geval van oplegging van een betalingsverplichting die overschrijding daarbij dienen te betrekken. 5. Slotsom Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en dat de zaak moet worden verwezen naar het Gemeenschappelijk Hof, zodat het eerste middel geen bespreking behoeft. In het geding na verwijzing kan alsnog aan de orde komen de vraag of en in hoeverre te dezen sprake is van "feiten, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan" in de zin van art. 38e, tweede lid, SrA. 6. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak; Verwijst de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van de Nederlandse Antillen en Aruba, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 17 oktober 2006. Mr. Thomassen is buiten staat dit arrest te ondertekenen